Fosfaatreductieplan houdt stand bij rechter

24 augustus 2018 | Agro


Het College van Beroep voor het bedrijfsleven heeft op 21 augustus 2018 geoordeeld dat het fosfaatreductieplan 2017 een deugdelijke grondslag heeft en niet in strijd is met het eigendomsrecht.

Volgens het College is het fosfaatreductieplan van belang voor de bestaanszekerheid van de (meeste) melkveehouders. Een ongeremde groei van de melkveestapel zou leiden tot verlies van derogatie. Het fosfaatreductieplan reguleert eigendom, maar is volgens het College geen vorm van onteigening. Op sectorniveau is er sprake van een ‘fair balance’. Aan een melkveehouderij zijn ondernemersrisico’s verbonden. Men moet er tot op zekere hoogte rekening mee houden dat de bedrijfsvoering onderworpen kan zijn aan veranderende regelgeving. Melkveehouders konden na afschaffing van het melkquotum voorzien dat voortgaande groei zou leiden tot maatregelen om de mestproductie te beperken. Van een professionele veehouder mag verwacht worden dat hij op hoofdlijnen bekend is met derogatie, de daaraan verbonden voorwaarden, alsmede met de veeljarige mestproblematiek. Ook was in parlementaire stukken meerdere malen (in 2013) gewaarschuwd dat overschrijding van het productieplafond kon leiden tot productiebegrenzende maatregelen.

De omstandigheid, dat de wetgeving een individuele grondgebonden groei mogelijk maakte, leidde niet tot een ander oordeel. Ook grondgebonden groei draagt bij aan de overschrijding van het landelijk fosfaatplafond. In de parlementaire stukken valt niet te lezen dat grondgebonden groeiers zouden worden uitgezonderd bij het nemen van productiebegrenzende maatregelen.

Omdat het fosfaatreductieplan eigendom reguleert en niet ontneemt, is de overheid niet verplicht tot schadeloosstelling van alle gevallen die worden geraakt. Een individuele melkveehouder kan wel in bijzondere mate worden getroffen door de maatregel (disproportionele last) en daarmee recht hebben op compensatie of ontheffing. Het is aan de veehouder om te bewijzen dat hiervan sprake is. Daarvoor is inzicht nodig in al zijn bedrijfsmatige gegevens en omstandigheden, zoals de vermogenspositie, de totale financieringspositie, eventuele nevenactiviteiten of overige inkomsten, eventuele mogelijkheden om de overtollige bedrijfsmiddelen op andere wijze aan te wenden, etc.. Bovendien moet worden aangetoond dat de investeringen daadwerkelijk betrekking hebben op de (voorgenomen) groei van het bedrijf die door het fosfaatreductieplan wordt getroffen.

De minister mag volgens het College niet volstaan met het standpunt dat uitbreiders in volle omvang het risico dragen van hun keuze om uit te breiden. De referentiedatum van 2 juli 2015 is met opzet gekozen omdat deze in het verleden lag, opdat melkveehouders daar niet op zouden kunnen anticiperen.

Terug naar overzicht

Op de hoogte blijven? Meld je dan aan voor onze nieuwsbrief