Uitspraak Hoge Raad: Spaartegoeden Box 3 onevenredig belast in inkomstenbelasting

7 januari 2022 | Geen categorie


Vanaf 2017 is de wettelijke regeling voor het belasten van spaargeld en overig vermogen in Box 3 van de inkomstenbelasting ingegaan. De wettelijke regeling houdt kort gezegd in dat, afhankelijk van de omvang van het vermogen, verondersteld wordt dat een deel van dat vermogen gespaard en een deel belegd wordt (de zogenoemde ‘vermogensmix’). Voor beide vermogenselementen is wettelijk vastgelegd welk rendement men geacht wordt daarmee te behalen (het forfait). Daarbij wordt geen rekening gehouden met de werkelijke keuze van belastingplichtigen of het daadwerkelijke rendement.

Uitspraak Hoge Raad

In december 2021 heeft de Hoge Raad een uitspraak gedaan over een aangespannen procedure. In die procedure is de vraag aan de orde of de vermogensrendementsheffing in box 3 van de inkomstenbelasting voor de jaren 2017 en 2018 in strijd is met het recht op eigendom en het verbod op discriminatie. Het vermogen van belanghebbende en zijn echtgenote van in totaal ongeveer 1 miljoen euro bestond voor circa 80 procent uit spaartegoeden met lage rente. Op basis van het forfaitaire stelsel wordt belanghebbende echter geacht 21 procent van zijn vermogen als spaartegoeden aan te houden en de rest van zijn vermogen te beleggen tegen een hoger rendement. Het gevolg hiervan is dat belanghebbende over veel hogere ‘fictieve’ opbrengsten belasting moest betalen dan hij in werkelijkheid had genoten.

Naar het oordeel van de Hoge Raad is er niet een redelijke verhouding tussen de belangen die de wetgever heeft willen dienen met het forfaitaire stelsel (uitvoerbaarheid, realiteit en opbrengst) en de ongelijkheid die met het stelsel wordt veroorzaakt.

De Hoge Raad ziet zich genoodzaakt om belanghebbende adequate rechtsbescherming te bieden tegen de geconstateerde schending van zijn fundamentele rechten. In deze zaak staat vast welk rendement de belanghebbende werkelijk heeft behaald. Dit is lager dan het op basis van de wet veronderstelde rendement. Daarom biedt de Hoge Raad rechtsherstel aan deze belanghebbende door voor de jaren 2017 en 2018 alleen dat werkelijke rendement in de heffing te betrekken.

Gevolgen van de uitspraak

Het is nu aan het Ministerie van Financiën om te reageren op de uitspraak. De uitspraak betreft een zaak waarin het grootste gedeelte van het vermogen uit spaartegoeden bestaat. Belastingplichtigen waarvan het vermogen vooral uit verhuurd onroerend goed bestaat, hebben meestal meer opbrengst dan het forfaitaire rendement. Het kan zijn dat het Ministerie hier dan ook actie op gaat ondernemen. Het kan ook zijn dat het Ministerie ervoor kiest om alle belastingplichtigen met spaartegoeden te compenseren. Er zullen nog veel vragen moeten worden beantwoord door het Ministerie. De Belastingdienst heeft te kennen gegeven om in januari hierover te willen berichten op hun website.

Bezwaar Box 3 spaartegoeden

Voor de aangiften van 2020 en 2021 is het raadzaam om nadat de definitieve aanslag is opgelegd, binnen de bezwaartermijn van 6 weken, bezwaar te maken, om eventuele rechten veilig te stellen. Heeft u zelf het vermoeden dat u voor bezwaar in aanmerking komt, neemt u dan contact op met uw adviseur. Wij zullen dan bezwaar maken. De kosten voor dit bezwaar zullen wij vooraf met u communiceren. Klanten waarbij wij vermoeden dat het zin heeft om bezwaar te maken, zullen wij benaderen.

Hoe we om moeten gaan met reeds eerdere opgelegde aanslagen zullen we bepalen nadat er meer informatie bekend is. Onze fiscale adviseurs houden de ontwikkelingen omtrent dit onderwerp scherp in de gaten!

 

 

Terug naar overzicht

Op de hoogte blijven? Meld je dan aan voor onze nieuwsbrief