Hoge Raad geeft duidelijkheid over fosfaatrechten bij erfpacht
29 oktober 2026 | Agro
De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de bestaande rechtspraak over de aanspraak van de verpachter bij het einde van pachtovereenkomsten in beginsel ook geldt bij erfpachtovereenkomsten. Daarnaast heeft de Hoge Raad verduidelijkt wanneer de verplichting tot overdracht van fosfaatrechten opeisbaar wordt.
Wanneer heeft een verpachter aanspraak op fosfaatrechten?
Als partijen niets anders zijn overeengekomen, kan de verpachter onder bepaalde voorwaarden aanspraak maken op overdracht van fosfaatrechten. Dit is het geval wanneer:
- de verpachter langdurig bedrijfsmiddelen aan de pachter ter beschikking heeft gesteld waarop de pachter zijn bedrijfsvoering heeft kunnen baseren;
- de bedrijfsmiddelen in belangrijke mate hebben bijgedragen aan de omvang van de veestapel en daarmee aan de fosfaatrechten die aan de pachter zijn toegekend; en
- de grond en/of gebouwen na het einde van de pachtovereenkomst potentieel minder goed zijn te exploiteren voor de verpachter indien de pachter deze zonder fosfaatrechten oplevert.
Dezelfde regels bij erfpacht
De Hoge Raad vindt dat een gelijke regeling van toepassing is op erfpachtovereenkomsten. De verschillen tussen pacht en erfpacht rechtvaardigen niet een andere benadering. Wel geldt bij erfpacht dat van die regel niet kan worden uitgegaan als partijen bij het vestigen van de erfpacht het ontstaan van productierechten en de gevolgen daarvan voor de exploitatiemogelijkheden en de waarde van de grond en/of gebouwen van de erfverpachter in de tegenprestatie voor de erfpacht hebben verdisconteerd.
Wanneer is de aanspraak opeisbaar?
Uit de rechtspraak volgt dat de regel dat de pachter verplicht is om fosfaatrechten over te dragen aan de verpachter mede zijn grond vindt in de omstandigheid dat zonder fosfaatrechten de grond en/of gebouwen voor de verpachter minder goed zijn te exploiteren. Die omstandigheid doet zich niet eerder voor dan bij het einde van een pachtverhouding en dus niet al bij het einde van de bepaalde duur van een pachtovereenkomst terwijl de pachtverhouding tussen de pachter en de verpachter voortduurt (door verlenging van de pachtovereenkomst of het – al dan niet stilzwijgend – aangaan van een opvolgende pachtovereenkomst). Daaruit moet worden afgeleid dat de bedoelde verplichting van de pachter niet eerder opeisbaar is dan bij het einde van de pachtverhouding.
